top of page

(Deze website leest vooralsnog het prettigst op een desk- of laptop. Op sommige tablets en smartphones valt een deel van de illustraties weg. U moet gewoon even doorscrollen wanneer u op zo'n ogenschijnlijk leeg vlak stuit. Aan een oplossing wordt gewerkt.)

De Rijn-Maas-Schelde-Delta


De gemeente Brielle ligt op het eiland Voorne-Putten, dat deel uit maakt van het Zuid-Hollandse deel van de Rijn-Maas-Schelde-Delta. Nu liggen er in die door de Deltawerken beschermde Delta vooral keurige eilanden en hier en daar een zandplaat. Zo'n 1000 jaar geleden zag het waterrijke gebied er heel anders uit. Toen deed de Delta sterk denken aan het huidige waddengebied: een watermassa met slikken (bij laagwater droogvallende zandplaten, die tweemaal per etmaal onder water staan, waarbij in het zeewater zwevende slibdeeltjes op de slikken neerslaan), schorren (dit zijn eigenlijk slikken, waarop zoveel zwevende deeltjes zijn afgezet, dat ze zover boven het water uit steken, dat ze alleen nog bij heel erg hoog water onder lopen), af en toe een eiland en kreken en geulen, die het rivierwater naar zee afvoeren. De wind heeft ervoor gezorgd, dat op de schorren duinen ontstonden en de zandplaten langzamerhand in eilanden veranderden. Die eilanden hadden overigens een mobiel karakter. Soms sloeg aan de ene kant wat grond weg, die dan aan de andere kant van het eiland of bij een heel ander eiland weer werd afgezet, waardoor een eiland kon 'wandelen' en groeien. Op een gegeven moment werden die eilandjes heel interessant voor vissers. En later ook voor boeren. En toen ging men de eilandjes onderling verbinden met dijken, waardoor er vruchtbare polders ontstonden.


Die polders waren echter zo overstromingsgevoelig dat men er hillen opwierp. Zo'n hil was een terpachtige vluchtheuvel die wel 5 meter hoog kon zijn, waar bewoners en hun dieren bij een hevige storm of bij een overstroming hun toevlucht konden zoeken. dat konden ze bijvoorbeeld op de Drie Hillen en de Suygershil in Heenvliet, de Fikkershil in Biert, de Sand Hil in Zuidland, de Vlaardinger Hil en de Betjes Hil (Vierpolders), Simons Jans Hil (Sint-Annapolder) en Groot Gers Hil (Oudenhoorn). In de loop der eeuwen zijn de meeste hillen afgegraven. Waar nu in Spijkenisse de Hartelkering ligt, lag ooit de Haert Hil. Hartel is een verbastering van deze naam. Elders in de huidige gemeente Nissewaard lagen ook nog de Swephil (Heenvliet) en een Lange Hil.



Ook op Goeree-Overflakkee (de voormalige eilanden Westvoorne en Zuidvoorne) kende men het woord hil. Het werd daar naar verluidt niet gebruikt om een (vlucht)heuvel aan te duiden, maar voor het erf van een boerderij.



Brielsche Maas en Het Scheur

De noordelijke grens van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta werd gevormd door de noordelijke tak van de Maasmond; de zeer brede trechtervormige riviermonding die ook wel Helinium werd genaamd. In dit esturarium lagen allerlei eilandjes, wadden, slikken en schorren die later tot de eilanden Voorne en Putten zouden worden samengevoegd.



Het water van de Maas (en de in de Maas stromende Waal) stroomde via de zuidelijke tak bij Hellevoetsluis en in het Noorden bij Naaldwijk in Zee. Het zuidelijke deel van de noordelijke tak van de Maasmond werd in later eeuwen Brielsche Maas genoemd. Het noordelijke deel werd Het Scheur genoemd. De Brielsche Maas heet nu Brielsche Meer en Oostvoornse Meer.

In het (voor de destijds gangbare zeeschepen al te ondiepe) Scheur is in de tweede helft van de 19e eeuw, grotendeels onder leiding en naar plannen van de in de Brielse Nobelstraat woonachtige, briljante ingenieur Pieter Caland, waar mogelijk niet met menskracht maar met waterkracht een kanaal uitgegraven dat wij kennen als de Nieuwe Waterweg. De rest van de Nieuwe Waterweg is uitgegraven in een aan het vaste land van Holland vastgeklonken schiereiland dat onhandig voor de Maasmond lag en de naam Hoek van Holland droeg. De Nieuwe Waterweg is in 1872 voltooid. In 1863 is besloten om het kanaal te graven. En dat terwijl Nederland zich al tijdens het Congres van Wenen (1814 - 1815) had verplicht om een fatsoenlijke waterweg van Rotterdam naar Noordzee aan te leggen!



Brielsche Maas en Het Scheur werden van elkaar gescheiden door keurig naast elkaar gelegen zandplaten en eilanden met namen als Rozenburg, Blankenburg en Botlek. Deze eilanden werden in de loop der eeuwen door middel van inpoldering uitgebreid en soms met elkaar verbonden. In de jaren 1950 en '60 werden ze (op het dorp Rozenburg na dat sterk werd uitgebreid) ontvolkt, van vee en landbouw gewassen ontdaan en opgespoten en gedeeltelijk afgegraven om de havens en industriegebieden van Europoort en Botlek aan te leggen. Men heeft destijds met de gedachte gespeeld om ook Voorne diezelfde behandeling te geven. Vooruitlopend op die aanpak werd in de jaren 1960 het bij Heenvliet aan de Brielsche Maas gelegen buurtschap Nieuwesluis van de aardboden gevaagd.



In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw werd het geluk van de naoorlogse mens afgemeten aan de hoeveelheid fabrieksschoorstenen die rook stonden uit te braken. De overheid heeft dan ook met de gedachte gespeeld om een groot deel van de Zuid-Hollandse Eilanden in havens en industrieterreinen te veranderen. Met hier en daar een dorp dat (net als Hoogvliet op het eiland IJsselmonde, Rozenburg op Rozenburg en Spijkenisse en Hellevoetsluis op Voorne-Putten) niet zou worden afgebroken, maar juist flink mocht groeien om de in havens en fabrieken werkzame arbeiders en hun gezinnen te huisvesten. Voor de goede orde: als het plan daadwerkelijk zou zijn verwezenlijkt, had het Rotterdamse haven- en industrieterrein van Europoort/Botlek tot aan Moerdijk gereikt.

Elders op deze site kunt u lezen dat het gemeentebestuur van Brielle, onder invloed van beroemde Rotterdamse Wederopbouw architecten, ooit van plan is geweest om de bebouwing binnen de wallen (op Catharijnekerk en het oude Stadhuis na) af te breken en te vervangen door "betonnen dozen/met flink veel glas dan kun je zien/hoe of het bankstel staat bij Mien/en d'r dressoir met plastic rozen".

Tussen de flats zouden, ter verhoging van het woongenot, makkelijk en relatief goedkoop te onderhouden gazons worden aangelegd.



Wie vanuit de Nobelstraat een doorkijkje neemt via de Gasthuisstraat ziet die ene betonnen Wederopbouwdoos staan die men daadwerkelijk heeft gebouwd voor de arbeiders in de Europoort.

U zult na een blik op het flatgebouw meteen begrijpen, dat de door het Rijk afgeblazen aanpak tot een veel grotere stroom toeristen zou hebben geleid dan het aantal mensen, dat nu op de door deze beroemde architecten versmade ouwe troep afkomt.



Inpoldering

Met de inpoldering van Voorne en Zeeland is overigens niet door Hollanders begonnen, maar door Vlamingen. Hoewel Nederlandse politici graag in het Buitenland vertellen, dat de Hollanders in de 11e eeuw het inpolderen hebben uitgevonden, komt de eer voor deze uitvinding de Vlamingen toe. Die hielden zich al in de 8e eeuw met het aanleggen van polders bezig.



(Eigenlijk vonden de Vlaamse paters het droogleggen van meren en andere watervlaktes opnieuw uit. De Romeinen gingen hen voor. In 52 na Chr. liet keizer Claudius het meer van Fucino leeglopen met behulp van een daarvoor aangelegde tunnel. De Romeinen beheersten nog meer technieken die na de val van het (West-)Romeinse Rijk in vergetelheid zouden raken. Zo konden ze bakstenen maken (een kunst die in de 12e eeuw zou worden herontdekt). Ook konden ze met beton bouwen. Een materiaal dat pas in de 18e eeuw werd geherintroduceerd, maar, zoals allerlei Romeinse ruïnes bewijzen, nooit meer de kwaliteit heeft bereikt van Romeins beton.)



De schaarse droge plekken op het steeds moerassiger wordende Voorne werden voornamelijk bewoond door afstammelingen van Kelten (de stam die van de Romeinen de naam Marsaici kreeg), door de Kleine Friezen (in het Latijn: Frisiavones Helinio) en een enkele, rond het jaar 400 achtergebleven Romein. O, en dan waren er ook nog wat Franken. Want de grensrivier tussen Voorne en Putten, de Bernisse, was ook de grens geweest tussen het West-Frankische en Oost-Frankische rijk.



Hollanders hadden van tussen pakweg 300 en het jaar 900 nauwelijks belangstelling voor dat levensgevaarlijke wadden- en moerasgebied ten zuiden van de Maas met al zijn natuurrampen. Maar op een gegeven moment werden de huidige provincie Zeeland en het daarboven gelegen eiland Voorne overspoeld door een 'tsunami' van Vlaamse emigranten, voor wie hun eigen, naar middeleeuwse opvattingen schatrijke, maar overbevolkte graafschap te krap werd.



Van die nieuwkomers zijn vooral kloosterlingen verantwoordelijk voor de inpolderingen op het eiland Voorne (Voirne), dat in Vlaanderen vooral werd gezien als een bruggenhoofd tegen hun bovenburen; de vergeleken met Vlamingen beduidend minder welvarende en, in wat destijds moderne verworvenheden betreft, enigszins achtergebleven Hollanders en de in de 8e eeuw van een groot handelsrijk beroofde Friezen (die niet moeten worden verward met de nazaten van de op Voorne inheemse 'Kleine Friezen' van de Romeinse geschiedschrijvers).


 

Voor alle duidelijkheid: het ten noorden van de Maas gelegen gebied tussen De Lier (destijds de naam een rivier in het Westland) en de Hollandse IJssel heette het Maasland en was door keizer Otto II in 985 in leen gegeven aan de graaf van de West-Friezen. Daardoor waren de (West)Friezen als het ware de bovenburen van Voorne. Tot overmaat van ramp had die West-Friese graaf Voorne en een eiland bij Schouwen in leen gekregen. (Aan de lenen die hij bij die zelfde gelegenheid had gekregen in Noord-Holland besteden we gemakshalve maar geen aandacht.)

Het is wel van belang om te melden, dat het in leen geven van het Maasland beneden en boven de Maas tot de bevoegdheden van de keizer behoorde, terwijl het in leen geven van het graafschap Holland formeel niet onder de keizer, maar onder de bisschop van Utrecht viel. Hieruit blijkt dat de graaf van Holland voor 985 niets te zeggen hadden in de beide Maaslanden; dus ook niet op Voorne.)



De (West)Friese graaf van Holland, Dirk II, was getrouwd met een Hildegardus naar wie de Rotterdamse wijk Hillegersberg naar is genoemd. Zij was de dochter van een Vlaamse graaf, vandaar dat Dirk II werd opgevolgd door zijn zoon Arnulf (Arnout) van Gent. Voordat Deze Arnout zijn vader als graaf van Holland opvolgde had deze hem al de heerlijkheid Voorne geschonken. Dat betekent dus dat er al in de 10e eeuw een heer van Voorne is geweest. En dat de overzichten van de heren van Voorne incompleet zijn. Maar misschien worden de eerste uit het Huis van Holland/Friesland stammende heren van Voorne genegeerd, omdat ze hun functie duidelijk als vazal van Holland bekleedden dan hun meer onafhankelijke collega's.

Saillant detail: Floris II, die van 1091 tot 1122 heeft geregeerd, zou de eerste graaf zijn, die zich daadwerkelijk 'graaf van Holland' noemde. Zijn voorgangers werden aangeduid als 'graaf der Friezen' (comes Fresonum).



Voor de goede orde: Zeeland (inclusief Zeeuws-Vlaanderen) en Holland (inclusief West-Friesland) hebben in de 7e en 8e eeuw deel uit gemaakt van een machtige koninkrijk, dat met een recent in gebruik genomen naam wordt aangeduid als Magna Frisia, dat, naast het huidige Friesland, ook nog Utrecht, Groningen, het Duitse Ost-Friesland besloeg. Magna Frisia zou van het Zwin bij Brugge tot aan de Wezer in Duitsland hebben gereikt. Magna Frisia werd niet vanuit Leeuwarden, maar vanuit de stad Utrecht bestuurd. Een omstandigheid die er later wellicht voor heeft gezorgd, dat de bisschop van Utrecht (die bij zijn aanstelling ook een prinsentitel kreeg) de leenheer van de graaf van Holland/graaf der Friezen werd. (De liefde tussen Holland en Friesland ging overigens niet erg ver. De gewesten hebben van 993 tot 1524 geregeld oorlog met elkaar gevoerd. Onder meer omdat veel Friezen (inclusief de West-Friezen) de graaf van Holland helemaal niet zagen zitten als opperste landsheer.)

Er wordt vermoed dat de Friezen er ook nog wat kolonies in Engeland en België op na hielden en dat zij van grote invloed zijn geweest op de handelsgeest van de vooral om plunderingen en verkrachtingen herinnerde Noormannen a.k.a. Vikingen.



De Friezen hadden handelskolonies gevestigd in plaatsen als Sigtuna (Zweden), Hedeby (Denemarken), Ribe (Denemarken), York, London, Duisburg, Keulen, Mainz en Worms. De Friezen zijn Magna Frisia en haar handelskolonies kwijtgeraakt, nadat ze door de Saksen en Franken waren verslagen. Hun vroegere klanten, de Vikingen, zijn vervolgens op een zeer agressieve manier in de gaten gesprongen, die de verslagen Friezen in hun voormalige handelskolonies als York hadden achtergelaten.



Vlaamse schapen op Hollandse gorzen


Op de gorzen in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta werden schapen gezet, die de wol leverden, waar het handelsland Vlaanderen heel veel geld aan verdiende. En de polders bleken uitstekende landbouwgrond op te leveren. De door Vlaamse kolonisten aangerichte verbeteringen zorgden er wel voor dat de graven van Holland veel meer belangstelling kregen voor Zeeland en Voorne en het geld dat daar voor Vlaanderen werd verdiend. Dat de hardwerkende Vlamingen op uitnodiging van de toenmalige heer van Voorne (Hugo van Voorne) naar diens armlastige en zwaar verwaarloosde domein waren gekomen en zeer welwillend waren bejegend door graaf Dirk VII, vonden niet alle graven van Holland altijd even relevant. Zij hadden vooral oog voor het deel van de opbrengsten dat in de schatkist vloeide van hun Vlaamse familielid. Van zijn kant vond de graaf van Vlaanderen dat hij meer recht had op de door zijn onderdanen bedijkte en ingepolderde landerijen in Zeeland en Voorne dan een graaf van Holland, wiens collega's zich eerder niet hadden bekommerd om een stelletje moerassige eilanden, waarvan de Zeeuwse pas rond 1162 de naam Zeelandia kregen. Daarvoor werden ze aangeduid als maritima loca (vert: plekken aan zee). (De graafschappen Holland en Vlaanderen hebben van 1012 tot 1323 geregeld oorlog gevoerd om Midden-Zeeland.) De graaf van Vlaanderen had nog een andere claim op Zeeland: in een grijs verleden had een graaf van Vlaanderen Zeeland in leen gegeven aan zijn collega in Holland (het niet door Vlaanderen geclaimde deel was een leen van de koning/keizer van Duitsland). Bovendien was het de bedoeling dat Holland samen met Vlaanderen over Zeeland zou heersen. (Zo'n gedeeld bestuur heet een condominium.)

Wat je in leen geeft, kunnen je opvolgers ook weer terugeisen, vooral als de Hollanders zich niets van hun Vlaamse partners aantrekken, dacht men in Vlaanderen. 

Op het kaartje, dat de vermoedelijke situatie van rond 1100 weergeeft, staat op het nog uit één eiland bestaande Voorne, Goeree en Overflakkee de plaatsnaam Witla gevolgd door een vraagteken. Witla (ook wel: UUitle, Witle, Witlam en Wittham) was een welvarend handelsplaatsje, dat aan de Maasmond op het gecombineerde eiland Voorne (inclusief Goeree [omdat de punt bij Goeree westelijker in zee uitstak dan ter hoogte van de plaats Oostvoorne eeuwenlang West-Voorne/Westvoorn geheten; het huidige Overflakkee heette destijds Zuid-Voorne/Zuidvoorn]) moet hebben gelegen. Waar Witla precies heeft gelegen is niet bekend, omdat Witla in 836 of 837 door de Noormannen zou zijn vernield, waarna de resten in 839 bij een stormvloed zijn weggespoeld. Witla zou genoemd zijn naar en gelegen zijn geweest aan de Widele (ook wel: Wiedele en Wiedela), een zijtak van de Striene, een rond 1450 door menselijk ingrijpen van de kaart gevaagde rivier. dat Witla heeft bestaan is zeker. De plaats wordt in Vlaamse en Duitse archiefstukken genoemd. Ook heeft er een keizerlijk tol bij gelegen.

Volgens de website van de gemeente Brielle zou Witla of Witlam aan de monding van de huidige Bernisse hebben gelegen. De website claimt ook dat de Bernisse (of Burnisse en Bornisse) ook wel Widele werd genoemd. Andere bronnen claimen weer dat de Bernisse de monding van de Striene zou zijn geweest en dat de Widele als aftakking van de Striene onder Voorne door richting zee stroomde.



Op Goeree lagen en liggen het uit circa 900 daterende Oude Dorp/Ouddorp (circa 900) en Goedereede (= goede haven) waarvan de geschiedenis tot de Romeinse tijd teruggaat.



Het huidige Voorne (destijds Oost-Voorne, niet te verwarren met de plaats Oostvoorne) is in 1216 losgebroken van de landmassa van West- en Zuidvoorne. Dat was het gevolg van een stormvloed die een groot gat sloeg in de duinenrij. Op die plaats ontstond in de veengrond een geul die steeds breder, dieper en langer werd. Na verloop van tijd was de geul veranderd in een machtige zeearm die de naam Flakkee kreeg (omdat je van het oude eiland Voorne over de Flakkee naar Zuidvoorne moest, kreeg dat eiland op een gegeven moment de naam Overflakkee). Goeree (Westvoorne) en Overflakkee (Zuidvoorne) werden overigens pas in 1751 weer met elkaar verbonden door middel van de in opdracht van de Staten Van Holland gebouwde Statendam.



Hoewel 19e eeuwse historici er vaak vanuit gaan, dat Den Ouden Briel (ook wel: Oudenbriel), de voorloper van het huidige Den Briel (Brielle), al in de 9e eeuw bij een stormvloed in zee zou zijn verdwenen, zou het De STEEG niets verbazen als Oudenbriel (dat wellicht meer dan één naam droeg) het slachtoffer is geworden van de ramp van 1216. Het is niet meer dan logisch dat eventueel in Oudenbriel bijgehouden archieven de vernietiging van de stad niet hebben overleefd.

Over het 'nieuwe' Den Briel in archieven alleen stukken zijn te vinden die uit de tweede helft van de 13e eeuw dateren. Maar in die tweede helft van de 13e eeuw was het nieuwe Den Briel wel de hoofdstad van het land van Voorne. Terwijl Den Briel in 1285 al belangrijk genoeg was om door de koning van Engeland als stad te worden bestempeld.

Waren Den Ouden Briel en Witla dezelfde plaats? (Hoogstwaarschijnlijk niet)

Hedendaagse auteurs gaan er meestal vanuit, dat de de voorganger van Den Briel, De Oude Briel, tijdens een stormvloed door de zee zou zijn verzwolgen. In het midden van de 19e eeuw werd aangenomen, dat de handelsstad Witla (onder meer ook wel gespeld als Witlam, Widlam, Widelham en Wittham) niet op de noordelijke oever van het gecombineerde eiland Voorne (inclusief Goeree en Overflakkee), maar ter hoogte van Goedereede zou hebben gelegen, op anderhalf uur gaans van het toen nog onbeduidende vissersdorpje, dat nadat men aan de bouw van het huidige Den Briel was begonnen automatisch als Den Ouden Briel zou worden aangeduid.



W. Plokker verdacht Denen en Noormannen ervan, dat ze, na de vernietiging van Witla, naar elders zijn vertrokken en daarbij "een spoor van moord en verwoesting" hebben achtergelaten. Om deze stads-schoolonderwijzer en historicus te citeren: "Het is meer dan waarschijnlijk, dat deze ruwe volken, die niets verschoonden, ook den Ouden Briel, hoewel veel minder dan eerstgenoemde plaats (Witla), hetzelfde lot deden ondergaan (in het jaar 836 of 837, 'De STEEG')."



Wat na de plundering resteerde van het vissersdorp Den Ouden Briel zou in of na 860 in zee zijn verdwenen door "een' hoogen vloed" of als gevolg van een uitgebreid beschreven proces, dat kan worden samengevat met de zeer actuele term 'stijging van de zeespiegel'. Tijdgenoten van Plokker hielden er (in tegenstelling tot Plokker) ernstig rekening mee, dat het legendarische, eerst door de Noormannen geplunderde en vervolgens door een vloedgolf vernietigde Witla/Witlam/Widlam/Widelham (klik hier voor informatie over de betekenis van deze naam)/Wittham/(op Goeree: Den Ouden Waerelt) etcetera en het niet minder legendarische Oudenbriel gewoon één en dezelfde plaats zijn geweest. Zouden deze theorieën kloppen, dan is Den Briel enkele eeuwen ouder dan de archieven doen vermoeden; ook al zou deze naam voor het eerst worden aangetroffen in een uit 1280 daterend archiefstuk.



Het ziet het ernaar uit, dat de theorie, dat Witla en Den Ouden Briel (Oudenbriel) één en dezelfde plaats zouden zijn geweest gewoon niet klopt; op een 19e eeuws verzinsel berust. Anderzijds toont recent archeologisch onderzoek aan dat Den Briel eeuwen ouder moet zijn dan tot voor kort werd gedacht.



De STEEG vindt het niet meer dan logisch, dat een legendarische plaats, waarvan de naam door middeleeuwse monniken ook als Widelham is aangeduid, in de buurt van Geervliet, aan de Widele heeft gelegen. Dus aan de ooit voor de scheepvaart belangrijke rivier, waarvan de restanten nu de naam Bernisse dragen.

In de zeer kloeke foliant Boerderijen en hun Bewoners van Voorne-Putten, Rozenburg en de Welplaat staat een kaart van Voorne-Putten rond het jaar 1300. De plaats Maarland ligt op de oostelijke rand van de polder Klein-Oosterland. Vlak daaronder ligt Den Briel in het uiterste oosten van de polder Groot-Oosterland. Maarland en Den Briel liggen op het dijklichaam dat nu binnen de vesting Voorstraat en Nobelstraat vormt.



Boven Klein-Oosterland ligt een aan de Maasmond (Masamuda) grenzend en vermoedelijk door een zeedijk beschermd gebied dat voor het gemak ook al wordt aangeduid met de naam Maarland. In het uiterste westen van dat gebied is een plaats getekend die Oudenbriel heet (een naam die, net als de naam van Den Briel, voor het eerst is aangetroffen in het uit 1280 daterende archiefstuk.


Ten westen van Groot-Oosterland ligt de polder Gouthoek. Daarin ligt de plaats Fornhe, waarvan de naam op een gegeven moment is veranderd in de oorspronkelijke naam van het hele eiland Voorne: Oostvoorne.



Ten westen van Oudenbriel, Gouthoek, Groot-Oosterland en Klein-Oosterland ligt een van de oudste droge plekken van Voorne, de door een duinrand beschermde Heveringen.


Mysterieuze bakstenen in een middeleeuwse muur


Het moet in het jaar 2007 zijn geweest, dat de in 2013 op gezegende leeftijd overleden auteur en uitgever van standaardwerken over de geschiedenis van Voorne in het algemeen en Brielle in het bijzonder annex voormalig gemeente-archivaris te Brielle, J. Klok, op aanraden van zijn bijzonder in de geschiedenis van Den Briel en Zwartewaal geïnteresseerde zakenpartner, de heer A. van Hulst, een blik ging werpen op een oude muur, waarin nagels (spijkers) waren aangetroffen, die door een spijkerspecialist waren gedateerd als op z'n laatst midden 14e eeuw, maar mogelijk één tot twee eeuwen ouder.



De heer Klok interesseerde zich totaal niet voor de leeftijd van de spijkers. Veel belangwekkender vond hij een aantal qua kleur en formaat bij de rest afstekende bakstenen. Als over de geschiedenis van Den Briel schrijvende archivaris, had de heer Klok een uitgebreide studie gemaakt van de bij de bouw van de stad gebruikte bak- en natuurstenen. Hoewel hij vond, dat een deskundige op het gebied van bakstenen zijn opvatting zou moeten bevestigen, was de voormalige gemeente-archivaris van mening, dat de afwijkende stenen ouder zijn dan de bij de bouw van de Sint-Catherijnekerk gebruikte bakstenen.



Recht tegenover de muur met de mysterieuze bakstenen staat de muur van een gebouw (een voormalige 'korenkas' [= graanpakhuis]), dat uit 1340 dateert en daarmee één van de oudste gebouwen van Den Briel is. Deze stokoude muur was voor de heer Klok minder interessant dan zijn 'overbuurman'.


Veel van de in het oude Den Briel gebruikte bakstenen zijn afkomstig van de steenoven, waaraan de Oostvoornse straatnamen Tichelarijweg en Steenoven herinneren. Weg en straat liggen overigens niet toevallig weerszijden van de Kleidijk, op een steenworp afstand van de ruïne van het Hof van Voorne (de op korte afstand van het bestuurlijk hart van hun suzereine rijk gelegen zomerresidentie van de Heeren van Voorne, waar ook de investituur ['inhuldiging'] van de Heeren en Vrouwen van Voorne plaatsvond). KLIK HIER.

Normaliter werd zo'n Motte-kasteel eerst van hout opgetrokken, maar de Oostvoornse burcht (die in de Middeleeuwen overigens een tijdlang in het stadswapen van Den Briel heeft geprijkt) is rond 1200 waarschijnlijk direct gebouwd van van ter plekke gedolven klei in een vlak naast de bouwplaats geplaatste steenoven gebakken bakstenen. De Oostvoornse burcht moest als vervanger dienen van het stamslot in Poortvliet, dat kort daarvoor bij oorlogshandelingen was verwoest.



De Brielse residentie van de Heeren van Voorne is zijn bestaan begonnen als de Heerenhof; een versterkte boerderij, die in het bezit was van het met het huis van Voorne verwante huis van Maerlant.


Uitgaande van de opvatting, dat Den Briel in de 13e eeuw zou zijn gesticht (kort nadat Den Ouden Briel door de Noordzee zou zijn verzwolgen), sprak de heer Klok het vermoeden uit, dat de primitieve bakstenen niet in de Rijndelta zouden zijn gebakken, maar in de buurt van één van de havenplaatsen, waar Den Ouden Briel contact mee heeft gehad. Hij kon voor die afwijkende herkomst maar één verklaring verzinnen. Nadat Den Ouden Briel door de zee was verzwolgen bleven de restanten, door de veel lagere zeespiegel, die destijds voor de Noordzee gangbaar was, bij een extreem lage waterstand eeuwenlang zichtbaar en bereikbaar.



Hoewel het merendeel van de gebouwen van Den Ouden Briel uit hout zal hebben bestaan, zal een havenplaats in de Hoge Middeleeuwen een aantal stenen panden hebben geteld, die zijn gebouwd met de bakstenen, die schepen als ballast meevoerden. De baksteenarchitectuur was na de Romeinse tijd tot de 12e eeuw overigens min of meer in het vergeetboek geraakte. Pas met ingang van die eeuw (volgens veel historici de eeuw waarin Den Ouden Briel werd verzwolgen) voeren er weer kapiteins rond, die, als hun schip in een havenstad helemaal met koopwaar kon worden gevuld, de ballast ter plekke verkochten aan mensen met bouwplannen.


Op het continent was baksteen in de Middeleeuwen een kostbaar materiaal. Oud-archivaris Klok was bekend met theorie, dat de bewoners van het nieuwe Den Briel bij extreem laag water naar Den Ouden Briel zouden zijn gegaan, om daar bruikbaar bouwmateriaal vandaan te halen.Maar tot de (via Jan van Gent [1340 - 1399]) onder meer met Vlaamse roots gezegende Tudors in 1485 aan de macht kwamen, zagen de Engelsen baksteen als een inferieur materiaal, dat vrijwel alleen als scheepsballast geschikt was.*

Schotse bouwers zouden pas in de 17e eeuw enthousiast raken over het bouwmateriaal. Vanwege de Schotse minachting voor bakstenen gebruikten schepen, die tussen Nederlandse en Schotse havens voeren, vaak Nederlandse dakpannen als ballast. Onder meer dankzij de handel in Schotse kolen, zijn, vooral in de omgeving van Edinburgh, veel Schotse huizen aan een Hollands dak gekomen.



Op onderstaande foto's ziet u de middeleeuwse muur, met de van vóór 1350 daterende nagels en de mysterieuze bakstenen. 

bottom of page